Rubens Agaatsz over het maken en het vliegeren van vliegers

INLEIDING
Rubens Agaatsz (geboren 1947 in Batavia) is een Indo-Europees-Nederlander die sinds 1965 in Nederland woont. Hij groeide op met vliegers in Indonesië en werd in Nederland opgeleid als elektricien. Bekend als vaste verschijning op de Pasar Malam Tong Tong in Den Haag, organiseert hij daar al decennialang vliegerworkshops en -demonstraties. Online is zijn aanwezigheid te vinden op zijn Facebookpagina met kites-reels waarin hij zijn nieuwste vliegerontwerpen en -demonstraties deelt: Rubens Agaatsz op Facebook

RUBENS AGAATSZ
Rubens Agaatsz ontdekte zijn levenslange passie voor vliegeren al op zeer jonge leeftijd in het toenmalige Nederlands‑Indië. Als zevenjarige jongen keek hij in 1954 in Jakarta vol bewondering naar zijn neef Ekie Meijer, die hoog boven Tjideng Timur tegen de blauwe lucht opdreef met een elegante vlieger. Drie jaar later, in Sukabumi, bouwde hij samen met zijn jongere broer Wally zijn allereerste zelfgemaakte vlieger, die ze in de kampong verkochten voor een dubbeltje per stuk. Zo groeide bij hem het besef dat vliegeren niet alleen sprookjesachtig mooi was, maar ook voor iedereen bereikbaar: je had weinig materiaal nodig en kon bijna dagelijks spelen, behalve tijdens het regenseizoen.

Geboren in 1947 in Batavia als oudste van acht kinderen, bleef Rubens’ gezin na de oorlog aanvankelijk in Indonesië. In 1965 besloten ze echter te emigreren naar Nederland, omdat de onderwijssituatie voor acht opgroeiende kinderen te onzeker werd. Rubens herinnert zich nog levendig de KLM‑vlucht met de “Thomas Alpha Edison” en de eerste weken in het opvangcentrum Bornhof in Zutphen en één jaar in Pension St. Martinus in Zevenbergschenhoek, gevolgd door een verhuizing naar Oisterwijk. Al snel werd de toen achttienjarige Rubens kostwinner: hij volgde een opleiding tot elektricien bij de Rijkswerkplaats, terwijl zijn vader, wiens architectendiploma uit Indonesië niet erkend werd, met zijn moeder achterbleef in de opvoeding van hun jonge gezin.

In de eerste jaren in Nederland lag de focus op werk en gezin, en leken vliegers even een hobby uit vervlogen tijden. Totdat een Indische vriend in Tilburg (Guus Ernst) in 1967 (en volgens eigen zeggen nog eens in 1969 via Guus Ernst) een vlieger tevoorschijn haalde: een moment van herkenning dat Rubens razendsnel deed terugdenken aan zijn kindertijd. Vanaf dat jaar bezocht hij jaarlijks de Pasar Malam in de Houtrusthallen, later verplaatst naar het Malieveld met de naam Pasar Malam Besar en in 2009 in Tong Tong Fair, plande zijn vakanties er omheen De reuzenvliegers met een spanwijdte tot wel zes meter straalden een grandeur uit die hij in zijn geboortegrond nooit had gezien.

In de jaren ’80 en ’90 voegde hij zich binnen vereniging Suara Indo bij de vliegergroep “Tua Muda” (“Jong en Oud”), opgericht door Tony Ernst, waar competitief vechtvliegeren en sierlijke walhalla‑vliegers centraal stonden. Het leverde spannende toernooien op, niet alleen lokaal maar ook internationaal – van Duitsland tot Engeland en Frankrijk – waar zelfs Djago’s met scherpe snijdraden het publiek wisten te boeien. Tegelijkertijd inspireerden namen als Ron Schröder, Rob van der Schaft en Guus Ernst hem om steeds diversere en grotere modellen te ontwikkelen.

Rubens’ wereldwijde “vliegervriendenraad” kreeg in de digitale eeuw een nieuw leven via Facebook. Met “Indo-Indonesian Kites & Workshops” en een speciale vliegergroep/vliegerpagina houdt hij honderden enthousiastelingen wereldwijd op de hoogte van workshops, ontmoetingsdagen en vliegfestivals. Ter voorbereiding op de Tong-Tong Fair organiseerde hij jaarlijks een Amerindo‑feest voor Indische mensen uit de Verenigde Staten, Australië en Canada, waar soms wel honderd landgenoten samenkomen om herinneringen op te halen en na te praten onder het genot van zoemende lijnen tegen de skyline. Op de Tong-Tong Fair zelf was Rubens een vertrouwd gezicht: hij gaf vliegerworkshops in de Bengkel, demonstreerde stunts boven de tenten of verkocht import modellen uit Indonesië op de Grand Pasar.

Zijn sessies, ook tegenwoordig  – waar zowel kinderen vanaf zes als senioren van in de tachtig welkom zijn – zitten steevast vol. Hij steekt al zijn enthousiasme in het aanleren van een eenvoudige ruitvlieger, waarvan hij hoopt dat ook die leuke eerste vlucht net zo’n onvergetelijk moment zal worden als in zijn eigen jeugd.

Voor wie nog nooit een vlieger heeft opgelaten, heeft Rubens een eenvoudige vuistregel: “Zorg dat de wind van achteren komt – je haren waaien naar voren. Laat de vlieger los en laat de lijn langzaam vieren; de wind tilt hem vanzelf omhoog.” Die kunst verstaat hij als geen ander, of het nu om een kleinschalig schoolplein gaat of het uitgestrekte grasveld van Den Haag.

Ruim zestig jaar na die eerste ontmoeting met een vlieger in Jakarta blijft Rubens Agaatsz onvermoeibaar bouwen, oplaten en verbinden – van kampong tot Malieveld, van Tua Muda‑toernooi tot Facebook‑groep. Zijn verhaal bewijst dat een simpele hobby mensen generatie na generatie weet te inspireren en samen te brengen, zolang er maar wind in de rug zit en dromen om op te stijgen.

VLIEGERGEVECHTEN ALS SPEKTAKEL EN SPORT
In de Indische cultuur is vliegeren (Maleis: layangan) een eeuwenoude traditie waarbij zowel sier als vechtvliegers een centrale rol spelen. Vrijwel elke oudere Indo–Europeaan heeft in zijn jeugd gevliegerd of zelf een vlieger gebouwd, vaak van eenvoudige materialen als papier, bamboe en katoenen garen .

In Nederland en internationaal worden vechtvliegercompetities georganiseerd, waarbij men met scherpe, met glaspoeder versterkte lijnen (‘glastouw’) proberen elkaar het touw door te snijden. Deze wedstrijden, van lokale toernooien tot grote evenementen in België, Duitsland, Frankrijk en Engeland, vragen om vliegers die stabiel in de wind blijven, snel duiken en vlot zijwaarts manoeuvreren.

Het cruciale wapen in vechtvliegeren is het glastouw, gemaakt door glaspuin van lampen of flessen te malen tot poeder en te mengen met houtlijm en ei, waarna katoenen garenklossen worden geïmpregneerd. Dikte aanduidingen (bijv. 24, 40, 50) en merktekens (olifant, geit) markeren de kwaliteit. De bediening vergt vaardigheid: met de linkerhand wordt de lijn losjes vastgehouden, terwijl de rechterhand in snelle opeenvolging spanning geeft en vrijlaat om de vlieger op ideale hoogte te houden .

Het vliegerseizoen loopt kort, van mei tot september, en in die maanden vinden talloze vechtvlieger toernooien plaats zowel in Nederland als in het buitenland. Deze evenementen trekken een gemêleerd publiek van hobbyisten tot serieuze competiteurs, en vormen een ontmoetingsplek waar vakmanschap, techniek én nostalgie samenkomen .

Naast vechtvliegers zijn ook sierlijke vliegers uit Bali en Sumatra beroemd om hun ornamentale pracht en soms magische betekenis. Over het gehele Indonesische archipel zijn diverse bouwtradities – van Oost Java tot Borneo – met elk unieke vormen, kleuren en legenden die vliegeren tot een cultureel erfgoed maken.

Hieronder volgen een aantal korte video’s. De vliegers van Rubens Agaatsz zijn niet alleen mooi, ze vliegen ook echt: