
Augustus 8, 2024
Graag vraag ik aandacht voor uitgaven die buiten het reguliere circuit blijven. Dat geldt ook voor het aantrekkelijke debuut van de veelzijdige C.W. Wormser (1876-1946), getiteld ‘Schetsen uit de Indische rechtszaal’. Charles Wormser was in 1907 als jonge jurist in Indië gekomen, werd voorzitter van de Landraad (rechtbank voor Indonesiërs), stapte over naar de journalistiek en ontwikkelde zich tot een figuur van formaat in de Indische krantenwereld. In 1940 ging hij met verlof naar Nederland, waar hij kort na de oorlog overleed.
Zijn boekje, oorspronkelijk verschenen in 1908, is uitgebreid ingeleid en toegelicht door Gerard Termorshuizen, met wie ik al bijna vijftig jaar bevriend ben. Het is aan diens edities van de romans van P.A. Daum te danken dat ik mij rond 1980 intensief met de Indische literatuur ben gaan bezighouden. De tweedelige monumentale Indische persgeschiedenis van zijn hand beschouw ik als een niet te overtreffen meesterwerk. Goed om vast te stellen dat hij – nu bijna negentig – nog altijd zo actief is.
C.W. Wormser was een echte koloniaal, die de Nederlandse aanwezigheid in de Oost niet ter discussie stelde. Tegelijk getuigt zijn werk van een grote waardering en liefde voor de Indonesische bevolking, waarmee hij vooral dankzij de rechtspraak kennismaakte. In zijn korte schetsen geeft hij een goed beeld van wel en wee van de eenvoudige mensen in de dessa. Hij laat zien dat ze niet alleen door hebzucht en jaloezie tot hun vergrijpen komen, maar ook door armoede en gebrek. Talloze kleurrijke figuren passeren de revue: van de kleine ‘tani’ (landbouwer) tot de ‘procureur bamboe’ (Indo-Europese zaakwaarnemer) en de ‘ronggengs’ (dansmeiden).

‘Midden in de kampong stond de woning van Moekir. De mannen wisten de weg ernaartoe maar al te goed, maar als hun vrouwen merkten dat ze er geweest waren, bromden ze en de jaloersen lieten zich scheiden. Want Moekir woonde daar niet alleen, maar met vier of vijf ronggengs, die hij niet veel moeite hoefde te doen om voordelig te exploiteren. In de kampong kende iedereen zijn woning en evengoed Moekir zelf. Als hij met zijn opzichtig gebloemd ‘baadje’, zijn broek met de drakenfiguren en zijn lichte hoofddoek rondstapte, zou elk kind hem kunnen aanwijzen. Ook in de rechtszaal kende men de man met de fletse zonde-ogen.’
Bij die Landraad speelde het adatrecht (inheemse gewoonterecht) een belangrijke rol. De Amerikaanse Indonesiëkenner Daniel S. Lev (1933-2006) heeft vastgesteld dat in de Nederlandse koloniën meer waardering voor dat adatrecht bestond dan in welke andere Europese kolonie ook. Hij voegde er tevens aan toe, dat de Indonesiërs zelf daar meer ambivalent tegenover stonden (en staan). De grote voorvechter van het adatrecht was de Leidse hoogleraar Cornelis van Vollenhoven (1874-1933). Rob Nieuwenhuys vertelde mij ooit dat hij op het eerste college over dit onderwerp tot zijn studenten zei: ‘Heren, u moet leren uw blanke huid af te stropen.’ Wormser zocht in zijn vonnissen steeds naar een evenwicht tussen de Nederlandse wet en het adatrecht.
Het boekje, dat 128 pagina’s en 6 illustraties bevat, kost 13 euro en 4,50 euro verzendkosten. Het is uitgegeven door Little Wolf Publications van Floris Blankenberg en te bestellen door een mail te sturen naar de uitgever: casperfloris@kpnmail.nl

Op weg naar de plaats van een misdrijf. V.l.n.r. het dorpshoofd, Wormser en de griffier.
Illustratie uit Wormsers boek ‘Drie en dertig jaren op Java’.
Tekening van Menno van Meeteren Brouwer.
–*–