C.J. van Dullemen ~ Tropical modernity

Boekimpressie van C.J. van Dullemen’s Tropical modernity

Het boek, dat in het Engels is geschreven, heeft als ondertitel: Life and work of C.P. Wolff Schoemaker. Uitgegeven door SUN Amsterdam in 2010 (ISBN 978 90 8506 8792).
Het (gebonden) boek is te verkrijgen via Boekverkopers van het Nederlands Architectuur Instuut: Tropical Modernity

Jan van Dullemen (1954) is architectuurhistoricus. In 2008 promoveerde hij aan de Universiteit Utrecht op het oeuvre van C.P. Wolff Schoemaker. Zijn proefschrift draagt de titel ‘Op zoek naar de tropenstijl’.
‘Tropical modernity’ is een vertaling van zijn dissertatie.

Het boek bestaat uit vijf hoofdstukken:

  1. Het Nederlands-Indische bouwklimaat rond 1900
  2. Charles Prosper Wolff Schoemaker (1882-1949)
  3. De moderne architectuur in Nederlands-Indië
  4. Nieuwe gebouw-typen
  5. Conclusies

Naast een introductie in de wereld van de koloniale architectuur en bouwpraktijk geeft Dullemen een antwoord op de volgende vragen:

  • Hoe heeft de architectuur in Nederlands-Indië zich in de periode 1900-1940 ontwikkeld, wat is de voorgeschiedenis en de doorwerking tot ca. 1965?
  • Wie hebben een sturende rol gespeeld in die ontwikkeling?
  • Wat is de rol/positie hierin van Charles Prosper Wolff Schoemaker?
  • Welke factoren zijn van invloed geweest op deze architectuur?

We nemen hier passages over uit het boek van Dullemen:

-H1-. Het Nederlands-Indische bouwklimaat rond 1900
”Het meest interessante aspect van de Nederlands-Indische architectuur was de wisselwerking tussen de invloedssferen van oost en west: De invloed van het ‘rationele westen’ met zijn zakelijke en technische oplossingen voor de problemen van het tropische klimaat zoals respectievelijk in 1894 en 1927 beschreven door De Vos en De Bruijn en de allesbepalende aanwezigheid van ‘Het Gouvernement’, de term waarmee de Gouverneur en de Nederlands-Indische regering werden aangeduid. Want de overheid had met het Departement van Burgerlijke Openbare Werken een heel groot deel van de bouwactiviteiten in de kolonie onder haar hoede”.

“In de eerste tweehonderd jaar van Nederlandse aanwezigheid in de Indische archipel, tussen 1596 en 1795 was er van kolonialisme nog geen sprake. Er was geen autonome staat die werd veroverd of beheerst. Grote en kleine lokale heersers verdeelden het grondgebied van het uitgestrekte eilandenrijk, zij bestreden elkaar of sloten kongsi’s. Beroemd is het koninkrijk Mataram dat in de zeventiende en achttiende eeuw heel Midden-Java omvatte”.

f1

-H2- Charles Prosper Wolff Schoemaker (1882-1949)
f2

“De keuze van Wolff Schoemaker om in Bandoeng, samen met zijn broer een architectenbureau te beginnen bleek op termijn een gouden greep te zijn. Bandoeng had de ambitie de hoofdstad van Nederlands-Indië te worden en groeide sterk in die tijd. Bovendien was het goed om bij familie in de buurt te zijn want met de gezondheid van Charles ging het allerminst goed”.

De titel “Op zoek naar de tropenstijl” is ontleend aan C.P. Wolff Schoemakers bijdrage aan het  jubileumnummer van het Indisch Bouwkundig Tijdschrift jaargang 26 (1923):

“Indische bouwkunst en de ontwikkelingsmogelijkheid van een Indo-Europeeschen architectuurstijl”, waarin hij schrijft: “De eigenlijke karakteristiek van tropenstijl hebben de Indiërs ontwikkeld en uit hunne bouwwerken leeren wij die kennen”.

-H3- De moderne architectuur in Nederlands-Indië
”Evenals in het moederland maakte de architectuur in Nederlands-Indië in het begin van de 20ste eeuw een ontwikkeling door waarbij de gangbare neostijlen en het eclecticisme werden vervangen. De opening in 1920 van de Indische Technische Hogeschool te Bandoeng (ITH) markeert het kantelpunt in de architectuurgeschiedenis van Nederlands-Indië”.

f3

-H4- Nieuwe gebouwtypen
“Utilitaire gebouwen zoals kantoren, scholen, hotels en fabrieken zijn gebouwen/functietypen die in de Indische archipel nog volstrekt onbekend waren. In de taal van het land ontbraken dan ook de begrippen om dergelijke gebouwen aan te duiden. In de Indonesische woorden ‘kantor’ en ‘pabrik’ zijn de Nederlandse wortels duidelijk herkenbaar. Opslagloodsen behoorden, naast fortificaties en woonhuizen tot de eerste typen gebouwen die de Nederlanders in Indië bouwden”.

f4

“In de centra van de steden bouwde men vanaf het midden van de negentiende eeuw, nadat dehandel werd vrijgegeven, veel kantoren voor handelsfirma’s en banken. Door bewaard gebleven archieven van banken en handelsbedrijven is het aantal bekende ontwerpers van dit soort gebouwen veel groter dan dat van individuele woonhuizen”.

f5

“Met het toenemen van de westerse bevolking en het stijgen van de welvaart nam ook de behoefte aan mobiliteit toe. In de tweede helft van de negentiende eeuw was al een aarzelend begin gemaakt met de aanleg van spoorwegen. Tegen 1940 was er een uitgebreid spoorwegnet van bijna 7300 km waarvan ca. 5400 km alleen al op Java”.

“Wolff Schoemaker bouwde zijn eerste bankgebouw in 1922, het kleine filiaal van de Nederlandsch Indische Handelsbank in Weltevreden. Dit gebouw is traditioneel vormgegeven met zuilen en een schuin dak. In 1928 volgde een tweede grote opdracht, de Koloniale Bank te Soerabaja die geheel in beton werd uitgevoerd”.

f6

“Al tijdens de bouw van het hoofdkantoor te Batavia werkte Wolff Schoemaker aan het ontwerp voor het kantoor van de Nederlandsch Indische Handelsbank in Medan. In de loop van het bouwproces brak in Europa de Tweede Wereldoorlog uit waardoor er over dit gebouw in Nederland maar heel weinig bekend is”.

f7

A]”De Portugezen en Spanjaarden waren de eerste katholieke predikers en zendelingen in de Indische archipel. In de vroege 16e eeuw trokken de Portugezen naar de Molukken, Ternate en Halmaheira om te handelen en om het geloof te verbreiden. De zendelingen hebben veel succes gehad maar ondervonden ook veel hinder bij hun missiewerk”.

B]”De verdrijving van de Portugezen en Spanjaarden door de protestantse Hollanders aan het begin van de zeventiende eeuw deed bijna al het vroege katholieke zendingswerk teniet. In de daarop volgende periode, die duurde tot 1848, lag het primaat van het zendingswerk bij de protestanten. Koning Willem I kreeg zelfs voor elkaar wat in Nederland niet lukte: vanaf 1838 ressorteerden alle protestantse kerken in Nederlands-Indië onder één bestuur”.

C]”Wolff Schoemaker was van huis uit rooms-katholiek. Hij bekeerde zich omstreeks 1915 tot de islam (zie deel I). In Bandoeng bouwde hij drie kerken: het eerste kerkgebouw, gereed in 1922, is de rooms katholieke St. Petruskerk, tegenwoordig de kathedraal van Bandoeng. Voor de protestantse gemeente bouwde hij in 1925 de Bethelkerk en voor zijn islamitische geloofsgenoten de kleine moskee aan de Nijlandweg (Jl. Cipaganti) in 1933”.

f8

”De Nederlanders die zich als eersten in de Indische archipel vestigden en voor zich een huis wilden bouwen zagen zich voor het probleem geplaatst dat de architectuur waarmee zij in hun koude vaderland zo vertrouwd waren volledig ontbrak. De woonomstandigheden van de lokale bevolking inspireerden de Nederlanders slechts aarzelend en alleen op bepaalde aspecten tot het overnemen van de lokale bouwvormen en technieken. Het superioriteitsgevoel stond een dergelijke vorm van vroege assimilatie in de weg. Overal in de archipel werd door de lokale bevolking hout, rotan en bamboe toegepast als voornaamste bouwmateriaal. Natuursteen komt wel veel voor, bijvoorbeeld de zgn. breuksteen in rivierbeddingen, maar werd niet meer of op beperkte schaal toegepast”.

Magnum opus: villa ‘Isola’
”Villa ‘Helly’ is voor Wolff Schoemaker de opmaat voor de belangrijkste opdracht van zijn leven, het meest opvallende en tot de verbeelding sprekende gebouw en zijn laatst bekende woonhuis: de villa ‘Isola’. Dit wordt ook wel ‘het weelderigste woonhuis ter wereld’ genoemd. Villa ‘Isola’ is een op en top Art Deco creatie en uitgegroeid tot een van de iconen van de stad Bandoeng.

f9
Villa Isola te Bandoeng,  de zuidelijke gevel en het zwembad.

 -H5-. Conclusies
“De architectuur in Nederlands-Indië heeft in de eerste decennia van de twintigste eeuw een snelle ontwikkeling doorgemaakt. Aan het begin van deze periode was de architect vrijwel afwezig en de situatie in de bouw was ook niet erg uitnodigend voor deze beroepsgroep. In 1940 had de architect een stevige greep op de bouwpraktijk, de steden hadden een periode van sterke groei doorgemaakt en het stedelijke landschap was compleet veranderd. De oorspronkelijk ruim opgezette centra van de grotere steden hadden plaats gemaakt voor een meer geconcentreerde bouwwijze. Er waren winkelstraten ontstaan en wijken met aaneengesloten bebouwing van kantoren en bedrijven. De stedenbouwkundige had zijn entree gemaakt en de groei van de steden voltrok zich volgens vooraf gemaakte plannen”.

“Het architectonisch oeuvre van Wolff Schoemaker zoals dat nu bekend is kan ingedeeld worden in drie opeenvolgende periodes, waarin zijn architectuur evolueert van geïmporteerd westers via Indisch georiënteerd naar zelfbewust westers met Aziatische invloeden”.

“Charles Prosper Wolff Schoemaker was een westerse architect met een Indisch hart. Voor een aan de tropen aangepaste architectuur, door hem omschreven als ‘de tropenstijl’, zocht hij naar een synthese tussen de westerse en oosterse bouwstijlen. Hij vond deze in de stupa’s en tempels van Brits-Indië. Wolff Schoemaker bestudeerde deze architectuur op Berlagiaanse wijze en stelde in het artikel ‘Indische bouwkunst en de ontwikkelingsmogelijkheid van een Indo-Europeeschen architectuur stijl’ in het Indisch Bouwkundig tijdschrift van 1923: ‘De Indo-Europeesche architect moet de Indische werken bestudeeren, zich er in verdiepen, zooals onze eerste  nationalisten de middeleeuwsche gebouwen bestudeerden, wil hij het wezen van deze kunst begrijpen en daarin nieuwe impulsen vinden’”.

“Indonesië, de voormalige kolonie Nederlands-Indië, is een groot land. Op vele plaatsen in Indonesië staan schitterende gebouwen waarover wij nu, net als in 1986 het geval was met villa ‘Isola’, niets weten en die het waard zijn om te bestuderen. Stonden die gebouwen in Nederland dan prijkten zij al lang op de lijst van beschermde monumenten. Het uiteindelijke doel is het behoud van deze gebouwen zodat ook volgende generaties kunnen genieten van levende geschiedenis”.

“Van de architecten die voor 1880 naar Nederlands-Indië gingen weten wij bitter weinig. V.I. van der Wall schreef, als eerste, wel over hun bouwwerken maar niet over de gedachten en achtergronden die een rol hebben gespeeld bij het ontwerpen van de gebouwen uit die tijd. De reden hiervan moet zijn dat deze nooit aan het papier zijn toevertrouwd, dan wel dat zij verloren zijn gegaan. Daarom lijkt het erop dat er pas na ca. 1900 werd nagedacht over de vormgeving van de architectuur in Nederlands-Indië”.

“Aan het einde van de 19e eeuw kwam in Nederlands-Indië een ware bouwhausse op gang die met enkele korte onderbrekingen tot aan de Japanse inval in 1942 zou voortduren. Om aan de toenemende vraag te voldoen vestigden zich in de eerste twee decennia van de twintigste eeuw meer particuliere architecten in Nederlands-Indië. Tot deze groep behoorde ondermeer Charles Prosper Wolff Schoemaker die niet alleen een gevarieerd oeuvre uitvoerde maar ook een belangrijke rol speelde in het Indische architectuurdebat en de architectenopleiding”.