Blog – Aflevering 3


Bij de meeste schilderijen kijk je dwars door de verf heen, naar het beeld dat erachter schuilgaat. Bij impasto-schilderkunst is dat omgekeerd: de verf zélf is het beeld. Dik, ongemengd op het doek gezet, met zichtbare penseelstreken of zelfs vingerafdrukken, wordt de verf een fysiek object met een eigen reliëf — iets wat je bijna zou willen aanraken. Weinig kunstenaars hebben dat zo ver doorgevoerd als Vincent van Gogh, en weinig hedendaagse kunstenaars hebben die traditie zo radicaal opgerekt als Anselm Kiefer.
Van Gogh en de tube verf
Impasto bestond al voor Van Gogh, maar hij maakte er iets fundamenteel anders van. Tot diep in de negentiende eeuw schilderden de meeste olieverfschilders volgens de lagentechniek: dunne, doorschijnende lagen verf, laag voor laag opgebouwd. Een technische vernieuwing zette dat op zijn kop — de introductie van verf in metalen tubes. Tubeverf was aanzienlijk dikker dan de klassieke, zelfgemengde olieverf, en bovendien houdbaar, wat schilders ook buiten hun atelier liet werken.
Van Gogh greep die verandering aan om een geheel eigen methode te ontwikkelen. Beïnvloed door de directheid van Japanse kalligrafie ging hij de dikke verf niet uitsmeren, maar in korte, besliste streken op het doek zetten — een aanpak die raakvlakken had met het pointillisme van tijdgenoten als Seurat en Signac, maar dan uitgevoerd met dikke, expressieve halen in plaats van stippen. Het resultaat is te zien in werken als het Zelfportret met vilthoed: de verf ligt zo hoog op het doek dat losse penseelstreken hun eigen kleine schaduwen werpen. Sta je voor het schilderij en verplaats je jezelf, dan verandert het beeld letterlijk mee met het licht — een driedimensionaal effect dat met platte verf onmogelijk was geweest.
Materiaal als betekenisdrager: Anselm Kiefer
Waar Van Gogh de dikte van de verf gebruikte om beweging en emotie zichtbaar te maken, gaat de Duitse kunstenaar Anselm Kiefer (1945) een stap verder: bij hem wordt het materiaal zelf drager van betekenis. Kiefer werkt op enorme schaal met verf vermengd met stro, zand, as, klei en zelfs lood — materialen die je eerder in een bouwplaats verwacht dan op een schildersdoek. Die keuze is niet decoratief. Kiefer, geboren in het laatste oorlogsjaar en opgegroeid tussen de puinhopen van naoorlogs Duitsland, gebruikt de zwaarte en vergankelijkheid van zijn materialen om te reflecteren op geschiedenis, herinnering en verwoesting. Een schilderij van Kiefer weegt vaak letterlijk tientallen kilo’s — het is nauwelijks meer een “schilderij” te noemen, eerder een reliëf dat op de grens van sculptuur balanceert.
Interessant is dat beide kunstenaars, hoe ver ze qua tijd en stijl ook uit elkaar liggen, hetzelfde basisprincipe delen: de fysieke aanwezigheid van het materiaal is geen bijzaak, maar juist de kern van wat het werk overbrengt. Bij Van Gogh gaat het om de energie van het moment van schilderen; bij Kiefer om het gewicht van de geschiedenis die in het materiaal zit opgeslagen.
Waarom techniek hier het verhaal is
Voor deze rubriek is impasto een mooi voorbeeld van iets dat vaker terugkomt: een technische ontwikkeling — in dit geval een simpele verandering in verfverpakking — kan een heel nieuwe artistieke taal mogelijk maken. Zonder de tube verf geen Van Gogh zoals wij hem kennen. En zonder die erfenis van “verf als materie” is het moeilijk voor te stellen dat een kunstenaar decennia later zand en lood op een doek zou durven aanbrengen en dat nog steeds schilderkunst zou noemen.
Praktisch
Het werk van Vincent van Gogh, inclusief zijn karakteristieke impasto-techniek, is het hele jaar door te zien in het Van Gogh Museum in Amsterdam: https://www.vangoghmuseum.nl/nl
Werk van Anselm Kiefer, waaronder de monumentale torens Jericho op het landgoed, is doorlopend te zien bij Museum Voorlinden in Wassenaar, dat meerdere werken van de kunstenaar in de vaste collectie heeft: https://www.voorlinden.nl/exhibition/highlights/?lang=en